In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Here zitten op een hoge en verheven troon en zijn zomen vulden de tempel. Serafs stonden boven Hem; ieder had zes vleugels: met twee bedekte hij zijn aangezicht, met twee bedekte hij zijn voeten en met twee vloog hij. En de een riep de ander toe: Heilig, heilig, heilig is de HERE der heerscharen, de ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol. En de dorpelposten beefden van het luide roepen en het huis werd vervuld met rook. Toen zeide ik: Wee mij, ik ga ten onder, want ik ben een man, onrein van lippen, en woon te midden van een volk, dat onrein van lippen is, – en mijn ogen hebben de Koning, de HERE der heerscharen, gezien. Maar één der serafs vloog naar mij toe met een gloeiende kool, die hij met een tang van het altaar genomen had; hij raakte mijn mond daarmede aan en zeide: Zie, deze heeft uw lippen aangeraakt; nu is uw ongerechtigheid geweken en uw zonde verzoend. Daarop hoorde ik de stem des Heren, die zeide: Wie zal Ik zenden en wie zal voor Ons gaan? En ik zeide: Hier ben ik, zend mij. Toen zeide Hij: Ga, zeg tot dit volk: Hoort aldoor – maar verstaat niet, en ziet aldoor – maar merkt niet op (Jesaja 6: 1-9).
Op het moment lees ik in het boek Jesaja. Best wel lastig. Veel onheilsprofetieën, maar daar tussendoor ook profetieën over heil, toekomstig heil. Bij de bekende gedeelten, in de regel de heilsprofetieën, veer je op door een stuk herkenning, maar al dat onheil…..
Opvallend zijn voor mij de eerste vijf hoofdstukken in relatie tot hoofdstuk 6. De meeste andere profeten in het oude testament beginnen in ‘hun’ boeken met meer of minder uitgebreid te zeggen dat het woord des Heren tot hen kwam of dat ze een concrete ontmoeting met Hem hadden. Jesaja heeft het alleen in het algemeen over een gezicht en trekt vervolgens vijf hoofdstukken lang van leer tegen van alles en iedereen.
Dan komt hoofdstuk 6. Hij ziet de HERE zitten op een hoge en verheven troon en ziet tegelijk zijn eigen onreinheid. Met de onreine lippen die Jesaja nu ‘ontdekt’ heeft hij al vijf hoofdstukken geprofeteerd. Nu niet een discussie beginnen of het boek wel of niet chronologisch geschreven is. Laten we het bekijken zoals het er staat. Pas als Jesaja God ziet, ziet hij ook zichzelf op de juiste manier. Nu kan de gloeiende kool van het altaar verzoening brengen. Dan hoort Jesaja de stem van de Heer gericht tot hèm. In de hoofdstukken ervoor heeft hij het wel over het woord van de Here en ‘Voorts zei de Here’, maar nu spreekt God tot hem, direct. En hij gaat in op die stem: hier ben ik, zend mij. De opdracht die hij krijgt is niet leuk: ga maar tegen de muur staan praten, ze luisteren toch niet. Maar het mooie is dat, nu hij de stem van de Here ‘gevonden’ heeft, hij die stem vaker hoort. Hoofdstuk 7 vers 3: Toen zeide de HERE tot Jesaja. Hoofdstuk 8 vers 1: De HERE zeide tot mij. 8 vers 5: De HERE ging voort nogmaals tot mij te spreken. 8 vers 11: Want aldus heeft de HERE tot mij gezegd.
Maakt dat de dingen die Jesaja heeft gezegd en die staan opgetekend in ‘zijn boek’ eenvoudiger? Voor mij niet. Het maakte het mogelijk wel eenvoudiger voor Jesaja om ze uit te spreken. De Here had tot hem gesproken en hem een opdracht gegeven. Hij moet harde dingen zeggen, maar hij mag ook mooie dingen zeggen.
Als ik dat probeer te vertalen naar mezelf, dan zie ik het belang om werkelijk de Here te hebben ‘gehoord’ (op wat voor manier dan ook) voordat je ingrijpende dingen tegen iemand zegt die gevolgen kunnen hebben. Ik heb dat niet alle weken, maar een poosje geleden wist ik dat ik iets bemoedigends tegen iemand mocht zeggen in een concrete situatie. Het is fijn om dan later te horen dat de Here inderdaad naar dat woord gehandeld heeft. Flap ik na zo’n ‘succes’ er nu sneller wat uit? Absoluut niet. Het besef blijft en groeit: vanuit je relatie met de Here eerst hem horen en dan pas spreken.
Joop Atsma