Volharden in het geloof door elkaar te bemoedigen en aan te sporen

“Tijdens het avondoffer echter stond ik op uit mijn verootmoediging, en met gescheurd kleed en gescheurde mantel knielde ik, breidde mijn handen uit tot de Here, mijn God, en zeide: Mijn God, Ik schaam mij en durf mijn ogen niet tot U opslaan, o mijn God, want onze ongerechtigheden zijn ons boven het hoofd gewassen en onze schuld is gestegen tot de hemel.” (Ezra 9: 5-6)

We zijn als gemeente door een periode van 40 dagen van gebed gegaan. Wellicht gaan mensen voor een tweede keer door het boekje heen. Het heeft mij in ieder geval erg aangesproken, zeker ook het eerste deel van de reeks. Bovenstaande tekst hoort bij dag 8. Ezra belijdt schuld voor het volk. In vers 15b van hetzelfde hoofdstuk staat: Zie, wij staan voor uw aangezicht in onze schuld. Waarlijk, niemand kan deswege voor uw aangezicht standhouden.

Schuldbelijdenis, samen als gemeente, is iets waar wij, in ieder geval in de samenkomsten, niet heel vaak bij stil staan. In de dagen rond dag 8 in de serie werd ik er weer bij bepaald: we staan schuldig voor God, niemand kan op eigen kracht voor Zijn heilig aangezicht standhouden. Onze schuld, zegt Ezra, is gestegen tot de hemel. Dat was niet de eerste keer. In Genesis 6 al lezen we dat de verdorvenheid van de aarde zo groot was, dat het Gods volle aandacht trok, als ik het zo mag zeggen. Gods antwoord daar was de zondvloed. Alleen Noach, waarvan Genesis 6 vers 9 zegt dat hij wandelde met God, wordt met zijn gezin behouden.

In Ezra loopt de geschiedenis anders. De zonde wordt erkent, door Ezra, maar ook door het volk. In hoofdstuk 10 vanaf vers 1 lezen we dat tijdens Ezra’s gebed van schuldbelijdenis een grote schare uit Israel, mannen, vrouwen en kinderen, zich rond Ezra verzamelt. Ze huilen met luid geween. De zonde wordt erkend, en er komt een ommekeer, een bekering.

Da’s mooi, da’s waar, maar da’s ouwe testament en waarom schrijf je dat in een blaadje van een evangelische gemeente met bekeerde, wedergeboren broeders en zusters? Dat weten we toch allemaal? Ja, ik wist en weet het ook, maar toch is het goed er weer eens bij te worden bepaald. Waarom? Om in zak en as te gaan zitten? Nee, om uit te breken in gejubel omdat we vanuit het perspectief van onze zondige staat en ons onvermogen om daar verandering in te brengen veel dieper beseffen wat God in Christus voor ons en met ons gedaan heeft. Want dat gaat nog veel verder dan wat Ezra mocht meemaken. Lees maar:

“God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus, (door genade zijt gij behouden), en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar zijn goedertierenheid over ons in Christus Jezus. Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme. Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.” (Ef. 2: 4-10).

We waren zonder hoop en zonder God in de wereld (vs. 12). En nu? Mede levend, mede opgewekt, mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten IN CHRISTUS JEZUS. Het staat er drie keer! Kan het duidelijker dat het niet uit mijzelf is, maar dat alles in Christus is? De heilige God ziet mij in Christus aan. Ik kan nooit achter Christus vandaan komen en voor God gaan staan en zeggen: Kijk eens, hier ben ik en Hij daar achter mij heeft me geholpen. Nog steeds geldt wat Ezra al beleed: geen mens kan (op eigen kracht) voor Gods aangezicht standhouden.

Dat opnieuw te beseffen maakt mijn dankbaarheid en vreugde groter. In Christus. Maar kan ik nu lekker achterover leunen? Nee. Wij zijn in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen. Dus niet mijn eigen werken die mijn zonden iets compenseren zodat ik toch nog een beetje vanachter Zijn rug om Christus heen kan kijken. Joehoe, ik heb toch ook wat goeds gedaan…… Er valt niets te roemen. Het zijn werken die God bereid heeft voor de glorie van zijn Koninkrijk en wij mogen daarin wandelen, en ons erin verheugen, want ze betekenen wel iets voor God.

Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd; uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde.

Joop Atsma